Landry Mawungu: "We moeten samen een vuist maken."

In de aanloop naar de internationale dag tegen holebi- en transfobie, interviewde Merhaba een aantal van haar bondgenoten over het centrale thema van dit jaar: “Alliances for solidarity”. Eerste in rij is Landry Mawungu, directeur van het Minderhedenforum. “Er is een tendens dat we op strategisch niveau meer en meer beseffen dat het om één strijd gaat, en we elkaar nodig hebben om die strijd volledig ten gronde kunnen voeren.” Een gesprek over bonding & bridging, window dressing, en met de lat slaan.

 

Op 17 mei is het Internationale dag tegen holebi- en transfobie, en die staat dit jaar wereldwijd in het teken van solidariteit en allianties. Wat betekent dit thema voor jou als directeur van het Minderhedenforum? Hoe zou jij daar invulling aan geven?

Als directeur vind ik solidariteit en allianties zeer belangrijk, zeker in deze tijden. Je voelt dat het nodig is – maar dat het in zekere mate ook een logische evolutie is – dat je solidariteit en allianties gaat smeden vanuit je verschillende doelgroepen die je vertegenwoordigt. Op een moment dat kruispuntdenken en de meervoudige discriminatiegronden zo alomtegenwoordig zijn, kan je gewoon niet anders.

Aan welke organisaties denk je als je spreekt over het smeden van allianties?

Op ons niveau van koepelorganisatie denk ik aan de verschillende koepels die werken vanuit de kansengroepenbenadering: organisaties als çavaria, organisaties van de vrouwenbeweging, zoals ella, Vrouwenraad, RoSa, maar ook bijvoorbeeld aan GRIP, de organisatie voor mensen met een fysieke beperking. Ik denk dat het noodzakelijk is om daar bondgenootschappen te vinden, vanuit de optiek dat we dezelfde strijd voeren: de strijd tegen discriminatie, voor grondrechten, voor mensenrechten, en voor een volwaardige aanvaarding van onze eigen identiteiten, hoe divers dat die ook mogen zijn. Of het nu gaat over vrouwen, mensen met een andere seksuele geaardheid, met een migratieachtergrond, met een andere geloofsovertuiging, met een fysieke beperking: die strijd tegen discriminatie is er een dat ons bindt en daarbinnen is het ook heel belangrijk dat we niet tegen elkaar worden uitgespeeld.

Vanuit mijn korte ervaring zie ik dat er ook effectief een tendens is waar we op strategisch niveau meer en meer beseffen dat het om één strijd gaat, en we elkaar nodig hebben om die strijd volledig ten gronde kunnen voeren. Dat is een tendens die ook meekomt met het kruispuntdenken, vanuit het feit dat al die verschillende discriminatiegronden en uitsluitingsmechanismen elkaar heel vaak overlappen.

Wat zijn voor jou, vanuit jouw ervaring, de moeilijkheden om die gemeenschappelijke strijd ook effectief te realiseren?

Er is heel wat nood om binnen je eigen strijd toch al ergens iets bereikt te hebben. We verwachten heel vaak van mensen die onderdrukt worden, en op zich heel veel drempels ervaren, dat ze hun eigen drempels overstijgen en die waar anderen mee geconfronteerd worden eveneens in hun strijd op te nemen. Als ik kijk naar organisaties voor mensen met migratieachtergrond, denk ik dat bepaalde organisaties daar al veel verder in staan dan andere, wat te maken heeft met het sociale stijgingsperspectief: groepen die heel kwetsbaar zijn en zelf veel onderdrukking ondervinden, die moeten  – om het in termen van bonding en bridging te stellen – eerst verder inzetten op bonding. Die moeten zich eerst de vragen stellen “wat zijn mijn pijnpunten, waar botsen wij op?” om daarin dan sterker te staan, en pas daarna stappen te kunnen zetten in de richting van de ander.

Vanuit die redenering, vind je dan dat het misschien gemakkelijker is voor een organisatie als çavaria om racisme mee te nemen in hun strijd, dan dat het voor jullie evident is om het LGBT-thema mee te nemen? Want maatschappelijk gezien zou je kunnen stellen dat LGBT personen, zeker op vlak van rechten, en misschien ook op vlak van aanvaarding, verder staan dan mensen met een migratieachtergrond?

(denkt even na) Ik ben niet zeker of het voor hun gemakkelijker zou zijn. Maar wat ik misschien wel denk is dat bij holebi’s, dat hun sociaaleconomische positie, hun sociale status in de maatschappij misschien iets hoger ligt dan bij mensen met migratieachtergrond. Ik denk dat zij theoretisch misschien wel meer ademruimte hebben om aan zulke zaken te denken en bijvoorbeeld strategieën uit te werken om aan bridging te doen. Terwijl onze verenigingen wel heel laagdrempelige, precaire armoedewerkingen hebben, of heel laagdrempelig werken bij hun eigen dagdagelijkse struggles. Zij hebben veel minder ruimte om aan zulke zaken te denken. Vanuit wat ik tot nu toe opmerk en zie, denk ik dat er bij de LGTBQ-gemeenschap misschien iets meer mentale ruimte is voor daadkracht, dan bij ons.

Als ik je hoor praten, dan is het alsof je het ziet als een strijd en plus, als iets dat er niet meer bij kan worden genomen. Is het niet mogelijk om het te zien als een gemeenschappelijke strijd die los staat van een specifieke groep? Om het concreet te maken: dat je bijvoorbeeld een campagne opzet tegen uitsluiting op basis van afwijken van de norm, van de meerderheid? Is samenwerking dan haalbaarder?

Ik denk dat die insteek haalbaarder is, of misschien pertinenter is. Het is wel heel moeilijk om veralgemeningen te maken, ook over onze achterban. Er zijn misschien verenigingen van eerder tweede, derde generaties, waar er geen drempels zijn om rond het LGBT-thema aan de slag te gaan. Anderzijds zijn er misschien verenigingen waar je het moet aanpakken vanuit een algemeen uitsluitingsmechanisme, en daar te gaan kijken wat de raakvlakken zijn. Dus of het al dan niet kan werken, is afhankelijk van de aanpak en de bewegingsruimte. Ik denk dat dat cruciaal is. En als je vertrekt vanuit de gemene deler van uitsluiting of niet-aanvaarding, dat er daar wel ruimte is of bestaat om rond specifieke issues aan de slag te gaan.

 

 

"Wat het Minderhedenforum van haar leden verwacht is dat de strijd die Merhaba voert erkend en gedragen wordt als zijnde onze gemeenschappelijke strijd."

 

 

 

Vaak is de solidariteit met minderheden binnen de eigen groep ook beperkt. Heel concreet zien we dat holebi- en transgenderpersonen met een migratieachtergrond uitgesloten worden, zowel binnen LGBT contexten, als door andere mensen met een migratieachtergrond. Hoe kunnen we volgens jou tot meer solidariteit binnen de eigen groep komen en ervoor zorgen dat mensen ook opkomen voor de minderheden binnen hun eigen minderheid? 

Ik denk dat het creëren van bewustzijn hiertoe de beste aanpak is. Mensen zijn vaak niet bewust dat hun strijd dubbel wordt gestreden door mensen die zich op een kruispunt bevinden (in dit geval etniciteit en seksuele geaardheid).  Door hen daarover te sensibiliseren en het bespreekbaar te maken, kunnen we hopelijk tot gedragsverandering komen.

Laten we het even in de omgekeerde richting bekijken, en hebben over de steun van bijvoorbeeld vrouwenorganisaties of LGBT organisaties aan de antiracistische strijd. Welke good practices zie je nu al van mensen of organisaties die ook opkomen tegen racisme of discriminatie op grond van afkomst?

Dat is een heel moeilijke, en we moeten hier een onderscheid maken tussen verschillende niveaus. Neem bijvoorbeeld, ons werk rond de anti-discriminatiewetgeving en de evaluatie daarvan, wat zich vooral op beleidsniveau afspeelde. Als Minderhedenforum wilden we onze stem in dit dossier laten horen, maar we beseften dat we meer gehoor zouden hebben als  we dit met bondgenoten zouden doen. We hebben dus onder andere aan organisaties als de Vrouwenraad, çavaria, Netwerk tegen armoede, GRIP, gevraagd om een coalitie te vormen, om onze gemeenschappelijke eisen door te krijgen binnen de commissie die het antidiscriminatiebeleid evalueert.

Op dat strategisch beleidsniveau zijn we het eens dat we krachten moeten bundelen. Dit is geen window dressing, want we zijn allemaal bewust dat er binnen onze achterban – binnen de vrouwenbeweging, de LGBT-beweging, onze beweging – nog heel veel werk is, maar we zijn het wel eens dat we beleidsvoering gezamenlijk willen aanpakken. Maar dat is natuurlijk een heel andere dynamiek dan een project op lokaal niveau met mensen op terrein te gaan uitwerken rond dat kruispuntdenken en verschillende discriminatiegronden.

Hoe verschilt dat meer concrete, lokale niveau van het strategische inzake de randvoorwaarden voor samenwerking?

Op dat niveau zijn randvoorwaarden voor een goede samenwerking heel complex, en afhankelijk van geval tot geval. Ik geloof niet dat een groep van bijvoorbeeld mensen met migratieachtergrond en een groep van mensen uit de holebi-gemeenschap, een gezamenlijk project kunnen realiseren als die groepen binnen hun eigen vereniging niet al een zeker proces van interne bonding hebben meegemaakt. Zo’n proces is nodig opdat ze sterk genoeg zouden zijn om aan die bridging te kunnen werken als gelijkwaardige partners.

Is het altijd nodig dat ze even sterk zijn? Is het niet een optie dat degene die minder sterk is het meer voor het zeggen moet hebben? Of dat de partner die sterker is meer inspanning moet doen om de ander tegemoet te komen?

Het is natuurlijk een moeilijke randvoorwaarde om te realiseren. Want zoiets leer je al doende. Als een organisatie wat sterker staat, en meer ruimte en slagkracht heeft,  kan ze meer outreachend werken en de stap zetten naar de ander. Dat vergt onvoorwaardelijk begrip en empathie naar de ander toe maar dat is iets van mens tot mens en heel moeilijk om op verenigingsniveau te bewerkstellingen. Alles staat of valt uiteindelijk met de mensen die het gaan uitvoeren: hoe zij naar de andere kijken, hoe zij de andere ook de ruimte geven om te verschillen van het eigen denk- en doekader, en of zij op basis daarvan een samenwerking willen opzetten vanuit een volledig nieuw kader.

Waar wij bij Merhaba soms mee in de knoop zitten is dat organisaties zich soms profileren als antiracistisch in het publieke forum, terwijl ze intern eigenlijk nog veel werk hebben op vlak van uitsluiting. Hoe kijk jij daarnaar?

Wat mij betreft, is dat iets dat je parallel kan doen. Je mag absoluut niet aan window dressing doen zonder er intern iets aan te doen. Ik zelf zou nooit publiek een statement maken over de strijd van de holebigemeenschap en dat dat een gezamenlijke strijd is, moest ik bijvoorbeeld niet weten dat Merhaba lid is van ons of dat mijn Raad van Bestuur op een dag heeft aanvaard dat ze open staan voor Merhaba. Mocht dat er nooit zijn geweest, zou dat mijn eerste stap geweest zijn naar jullie toe. 

Maar wat het minderhedenforum betreft – als koepelorganisatie van sommige koepelorganisaties – kunnen  we  niet  wachten tot al de lokale lidverenigingen volledig mee zijn in die strijd, vooraleer we als organisatie duidelijk kleur bekennen.

De vraag is dan wel: hoe ver moet je staan om het legitiem te maken om naar buiten te treden?

Voor mij moet je op het niveau van uw leden mee zijn, voor koepelorganisaties toch. Het is dan de verantwoordelijkheid van elk van die leden daar aanwezig om dat mandaat op te nemen, daar tweerichtingsverkeer in te brengen, en beslissingen te gaan verdedigen in eigen kringen. Ik vind dus niet dat er gewacht moet worden totdat die kringen volledig mee zijn, vooraleer  de koepelstructuur mee kan zijn.

Wat het Minderhedenforum van haar leden verwacht is dat de strijd die Merhaba voert erkend en gedragen wordt als zijnde onze gemeenschappelijke strijd. Een strijd waar er ook aandacht en plaats is voor mensen die zich op een kruispunt bevinden en meervoudige vormen van discriminatie meemaken. 

 

"Ik zie jullie als de kleine zus of de kleine broer van koepels als het Minderhedenforum en çavaria, maar de kleine broer of zus die ons echt wel lastigvalt en maar goed ook."

 

 

Merhaba zit op het kruispunt en kan misschien een cruciale rol spelen in het tot stand brengen van die allianties. Hoe kijk jij daarnaar? Welk advies zou je ons geven?

Jullie zijn eigenlijk bij uitstek de bridging partner, maar dat kan voor jullie denk ik een van de grootste valkuilen of moeilijkheden zijn. Jullie hebben denk ik eerst nood aan bonding, en diepgaand gaan begrijpen wat het betekent om op dat kruispunt te staan, en om te werken met de mensen die op dat kruispunt staan, voor dat je tegemoet kan komen aan de vragen van externen om vanalles te doen.

Ik denk wel dat jullie een cruciale rol hebben te spelen om beyond window dressing te gaan. Ik zie jullie als de kleine zus of de kleine broer van koepels als het Minderhedenforum en çavaria, maar de kleine broer of zus die ons echt wel lastigvalt en maar goed ook. Het is een van jullie rollen om eens met de lat te slaan naar ons, grotere mastodonten en koepelorganisaties en ons zo duidelijk te maken: “Mensen, jullie snappen het niet!” of “Jullie zijn niet gegrond genoeg!” Dus in zekere zin hebben jullie een expertise die ons kan ondersteunen in onze rol van bridging. Jullie kunnen ons leren begrijpen hoe of wat wij zouden kunnen doen en op welke manier.

Heb je nog een afsluitende gedachte voor ons?

Wij hebben het gevoel dat er de laatste twee, drie jaar, bij organisaties voor kansengroepen een maatschappelijk besef is gegroeid dat we dezelfde strijd voeren, en dat we samen een vuist moeten vormen. Ik denk dat de grootste uitdaging zal zijn dat het geen window-dressing-vuist wordt. Wees solidair en maak bondgenootschappen, maar hoe je het ook draait of keert: verandering begint altijd bij uzelf. We moeten ons de vraag stellen: “Ben ik effectief bereid om dat mee op te nemen en het ook te zien als een nieuw strijdpunt binnen mijn organisatie of mijn persoonlijk leven?” Het is belangrijk dat we als organisatie, als individu, beseffen dat dat veranderingsproces menens is.