COMPROMISSEN, GEHEIMEN EN STILTES: allochtone holebi’s en hulpverlening

Author: 
Zizo

Eerst verschenen: ZiZo november-december 2006

Interview met Myriam Monheim

INTRO Myriam Monheim werkte 7 jaar bij Adzon, waar ze jongens begeleidde die actief zijn in de straatprostitutie. Momenteel is ze als psychologe verbonden aan het Aids Referentie Centrum van het Brusselse Sint-Pietersziekenhuis, en als psychotherapeute aan een Planning Familial. Daarnaast is ze ook actief lid van Merhaba, de vereniging van allochtone holebi’s. En ze heeft een uitgesproken mening.

Je staat heel kritisch tegenover zowel het holebi-verenigingsleven als tegenover de commerciële holebi-cultuur. Wat is er mis mee?

Wat me op het vlak van de verenigingen soms bang maakt, is de druk die op jongeren gezet wordt - ook al zullen sommigen zeggen dat dit niet waar is - om uit de kast te komen: “Je moet jezelf aanvaarden, je moet fier zijn, niet beschaamd”. Er heerst een nogal gesloten model van good practice rond homoseksualiteit.

Maar dat model past totaal niet bij een deel van de jongeren. Ik beeld me een jonge Turk of Marokkaan of Bulgaar in die te horen krijgt: “Ga ervoor! Als ze je graag zien, moeten je ouders je aanvaarden zoals je bent” – dat werkt niet! En dus denk ik dat je daarmee voor een heleboel mensen deuren sluit.

Wat me in het commerciële circuit heel kwaad maakt is het exotisme, de sterke focus op ‘etnische’ seksuele consumptie. Als je bepaalde websites bezoekt, bots je echt op rubrieken als ‘black’, ‘arab’,… Als ik zoiets zie, stel ik me toch vragen bij de manier waarop sommige homo’s – of beter: sommige mannen – de ‘allochtonen’ behandelen. Zijn die dan echt niets  meer dan objecten van fantasie en producten voor seksuele consumptie? Of zijn het volwaardige leden van een gemengde gemeenschap? Als ik naar de holebigemeenschap kijk zie ik een erg wit, erg middle class milieu, waarin mensen die een beetje in de marge staan niet echt op hun plaats zijn.

In mijn praktijk bij Adzon heb ik ook vaak gezien hoe jonge allochtonen van de tweede generatie, die hun weg niet vonden naar het ‘normale’ holebicircuit, terechtkwamen op eerder marginale plaatsen, die ook voor prostitutie zijn bestemd. Als je in rekening neemt dat deze jongens vaak al zwak staan, omwille van de situatie thuis, waar ze soms zijn buiten gevlogen, of omwille van andere problemen, dan is het evident dat ze makkelijk kandidaat zijn voor praktijken die ik niet verheffend zou noemen. Ik wil maar zeggen: ze hebben het al moeilijk genoeg. Als ze ook nog eens hun seksuele en affectieve leven moeten beginnen in het kader van de prostitutie, dan lijkt me dat echt spijtig.

Je geeft ook het voorbeeld van het seksuele toerisme, dat stilzwijgend deel is gaan uitmaken van een bepaalde gay levensstijl.

Ja, en dat maakt me erg kwaad. In mijn gesprekken met jongeren die bij Adzon over de vloer kwamen, bleek soms dat ze als adolescent in de prostitutie begonnen waren in hun land van herkomst, met toeristen – dus als minderjarigen en in een context van complete ongelijkheid. De westerse toerist beschikt over een koopkracht die hem toelaat alles te kopen wat hij maar wil, en dus ook jonge jongens. Ik heb in de holebigemeenschap nog niet veel bereidheid gezien om deze werkelijkheid onder ogen te zien en in vraag te stellen.

Wat bedoel je als je zegt dat de meeste holebiverenigingen te middle class zijn?

Die verenigingen zijn vooral gericht op het socio-culturele. Maar voor de zwakkeren gelden andere prioriteiten: pas als je toegang hebt verworven tot een zekere sociale, economische, administratieve en affectieve stabiliteit, komt er energie vrij voor cultuur. Ik heb gemerkt dat velen van de zwaksten zich met hun problemen niet durven wenden tot de bestaande holebiverenigingen, omdat ze de indruk hebben dat ze daar toch niet begrepen zullen worden.

Je kan tegenwerpen: “Dat is misschien wel waar, maar als we altijd op de meest zwakken hadden gewacht, dan zouden we als beweging nooit iets hebben bereikt”

Natuurlijk zijn de politieke eisen en verwezenlijkingen van de holebibeweging heel belangrijk, maar ik zeg gewoon dat dit niet ten koste mag gaan van de zwakkeren. Men moet dus ook plaats laten voor opvang en voor de stem van mensen die aan dit soort eisen momenteel geen boodschap hebben. Het is gevaarlijk te denken dat alle problemen zijnopgelost.

Wat maakt allochtone holebi’s eigenlijk ‘anders’?

Het grote verschil is volgens mij dat er – toch voor de jongens die niet willen breken met hun milieu en hun gemeenschap – niet echt een model bestaat waarmee ze zich kunnen identificeren. Ze herkennen zich niet in het Westerse model van omgaan met homoseksualiteit, en ze herkennen zich uiteraard ook niet in het ‘eigen’ culturele model, dat homoseksualiteit ziet als immoreel en taboe. Er is echt een gebrek aan referentiepunten, wat een groter gevoel van eenzaamheid oplevert. Natuurlijk zijn er ook ‘allochtonen’ die uit een milieu komen dat meer open is – voor hen stelt het probleem zich minder, is het lijden minder sterk, is het makkelijker een eigen weg te vinden.

Moeten we ‘allochtoon’ trouwens vertalen als ‘maghrebijn’ of gaat het om meer universele mechanismen?

Uit mijn professionele ervaring met jongens die actief zijn in de straatprostitutie heb ik geleerd dat ook bij Macedoniërs, Bulgaren, Roemenen,… gelijkaardige mechanismen spelen. Eerst en vooral is een religieuze context die homoseksualiteit heel sterk veroordeelt: de twee grote contracten die een volwassene moet vervullen zijn trouwen en kinderen krijgen. En dus kan je je homoseksualiteit niet opeisen als een maatschappelijk aanvaardbare levensstijl. Bij de meeste jongens die ik ontmoet heb, van welke afkomst ook, valt ook hun sterke band met de gemeenschap van origine op. Zelfs als ze hier alleen zijn, blijft er een sterke band. Zo is het voor hen heel moeilijk om te zeggen: “Vandaag maak ik als volwassene mijn eigen keuzes, en als mijn familie die niet aanvaardt – pech!”. Dat is onmogelijk. Er is steeds de twijfel: “mijn hart zegt het ene, mijn hoofd het andere – hoe vind ik mijn weg, ergens tussenin?”. Hun antwoord is zelden individueel en houdt steeds rekening met de gemeenschap. Je moet loyaal blijven aan de gemeenschap. Dat zijn zaken die zich doen voelen, los van de afkomst is van de persoon in kwestie.

Je benadrukt ook dat de meisjes niet mogen vergeten worden…

De onzichtbaarheid en machteloosheid van allochtone lesbiennes moet echt onderstreept en aangeklaagd worden. Ze hebben nog minder dan de jongens toegang tot de weinige plaatsen waar ze hulp kunnen vinden. Ze hebben bovendien minder toegang tot onderlinge solidariteit. En ze hebben minder macht om binnen de familie een eigen ‘ruimte voor vrijheid’ af te dwingen. Ik heb niet de indruk dat er veel vrouwen zijn die erin slagen om respect af te dwingen voor een levenstijl die zo sterk afwijkt van de norm. Vaak zijn ze verplicht totaal met hun familie te breken. Ze zijn zowel slachtoffer van hun statuut van vrouw, allochtoon als niet-heteroseksueel – ze cumuleren echt de discriminaties.

Je hebt daarnet een scherpe kritiek geformuleerd. Wat kunnen we nu doen?

Er zijn twee niveaus. Enerzijds zijn er initiatieven nodig op ‘macro’-niveau: het sensibiliseren van  zowel de holebigemeenschap als van de gemeenschappen van origine omtrent hun interne mechanismen van discriminatie. Dat zal effect hebben op lange termijn. Anderzijds zijn er de mensen die daar hier en nu onder lijden. Aan hen moeten we een plek geven om zichzelf te zijn, waar ze beetje bij beetje hun eigen weg kunnen uittekenen. Dat zal een weg zijn van compromissen, geheimen en stiltes… Maar dat moeten we respecteren, zelfs als dat in contradictie lijkt te zijn met onze opvattingen over het affirmeren van je homo- of lesbische trots.

Wat kan er veranderen in de sector van de professionele hulpverlening?

Ik denk dat het belangrijk is dat er specifieke opvang en hulp wordt aangeboden op plaatsen die niet specifiek verwijzen naar holebiseksualiteit. Zodat de cliënten niet bang moeten zijn om met de vinger te worden gewezen: “Ik heb je zien binnengaan in het Regenbooghuis, ik weet dat je homo bent!”.

Het is ook belangrijk de persoon naar wie je hen doorverwijst te kunnen benoemen, dat wekt vertrouwen. En dat is precies waar het om draait: vertrouwen. Want er is altijd de angst om ontmaskerd te worden. Over je geheim gaan praten met een onbekende, lijkt teveel risico’s mee te brengen. De schrik zit er bijvoorbeeld in dat de familie het te weten komt. Natuurlijk is er de vraag: wie moet dit doen? Onder de hulpverleners die zelf allochtoon én holebi zijn, is er bijna niemand die die rol actief op zich kan nemen , net omwille van het grote taboe. Het zal dus moeten gebeuren door de bestaande hulpverleners, die gevormd zullen moeten worden rond de thema’s en problemen die bij allochtone holebi’s kunnen meespelen. Ze zullen de juiste gevoeligheden moeten ontwikkelen. Belangrijk lijkt me vooral dat ze een houding aannemen van ik weet dat ik niet weet, om geen fouten te maken.